Vloeren met verhalen

Europese topkunst in Friese kerkvloeren

Gepubliceerd op in Cultureel Erfgoed.

Wie een dorps- of stadskerk binnenkomt, kijkt doorgaans eerst naar al het moois om zich heen: de preekstoel, herenbank, het orgel en de rouwkassen bijvoorbeeld. Stuk voor stuk zijn het meestal fraai vormgegeven objecten die het bekijken en bewonderen meer dan waard zijn. De vloeren worden daarbij nog wel eens over het hoofd gezien. Terwijl juist daar in heel veel Friese kerken Europese topkunst blijkt te liggen. Want wanneer je de Friese grafzerken uit de 16e en 17e eeuw vergelijkt met die in bijvoorbeeld Groningen en Noord-Holland, wordt duidelijk met wat voor uitzonderlijke kunstwerken we in onze provincie te maken hebben. Het loont de moeite om naar de verhalen achter deze stenen op zoek te gaan.

Verschillende steensoorten

De oudste stenen komen we tegen als sarcofaagdeksels van rode of gele zandsteen, afkomstig uit Duitsland. Op het kerkhof werd een stenen kist ingegraven en daarop werd een trapeziumvormige (naar het voeteneind smaller toelopende) zandstenen deksel geplaatst. Vaak werden deze deksels al in de steengroeve versierd met een bisschopsstaf of geometrische patronen. Toen men in de loop van de middeleeuwen meer ín de kerk ging begraven, werden deze deksels soms vlak gemaakt en hergebruikt als grafsteen.

In kerkvloeren treffen we soms ook nog witte rechthoekige stenen aan. Deze stenen behoren tot de oudste groep zerken. Ze zijn gemaakt van Öland-steen, een kalksteensoort die afkomstig is van Öland, een eiland in de Oostzee voor de zuidoostkust van Zweden. Een bijzonder voorbeeld is de grote priesterzerk uit 1402 in de zuidbeuk van de Martinikerk in Sneek. Deze werd een paar jaar geleden teruggevonden toen de houten vloer werd verwijderd.

Rond 1500 zien we steeds vaker grijze stenen verschijnen. Men importeerde blauwe hardsteen (Henegouwen) en Naamse steen (uit Namen dus) uit België. Je kon ze bij een steenhandelaar kopen. Ze waren dan al op maat gehouwen en hoefden alleen nog bewerkt te worden. Deze zerken werden vanaf het eind van de vijftiende eeuw door de adel bij talentvolle steenhouwers besteld. Over het water werden ze van de steenhouwerij naar de plaats van bestemming gebracht. Doordat de grootste stenen al snel vier- tot vijfduizend kilo wogen, moet dat een enorme krachttoer geweest zijn. Met hijsconstructies en rollend over ronde palen kreeg men ze op hun plaats.

Beroemde steenhouwers

In Leeuwarden is aan het begin van de zestiende eeuw Gerbren Hardhouwer († 1537) werkzaam, een steenhouwer die een heel nieuwe weg inslaat: de renaissance doet haar intrede in de Friese kunst. Op twee zerken, in Huizum en Minnertsga, bracht hij zijn initialen aan: G H. Als voorbeelden lijkt hij vooral Duitse prenten gebruikt te hebben. Zijn mooiste stenen hebben eigenlijk steeds dezelfde indeling: een groot middenveld, met onder een driedelige boog een helm met een helmteken en één of twee familiewapens daaronder. De achtergrond is vrijwel geheel gevuld met acanthusblad. Op de hoeken staan vierpassen met daarin regelmatig de vier evangelistensymbolen: de engel van Mattheus, de leeuw van Marcus, de os van Lucas en de adelaar van Johannes. Later zien we in de vierpassen vrijwel altijd de familiewapens van voorouders. In de Frans-Bataafse tijd zijn die wapens doorgaans weggekapt, met de principes van vrijheid, gelijkheid en broederschap behoorde het standsverschil immers tot het verleden.

grafzerk
Minnertsga, grafzerk door Gerbren Hardhouwer, circa 1525

Minstens zo talentvol als zijn vader was Gerbrens zoon Benedictus (ca. 1515 – ca. 1572). Van hem liggen zeker nog meer dan honderd zerken in de Friese kerkvloeren. In zijn werk is hij duidelijk geïnspireerd door zijn vader, maar er zijn ook Italiaanse invloeden te herkennen. Zo worden bij Benedictus de wapenschilden vaak gedragen door een dansende mannen- en vrouwenfiguur. Vooral op zijn oudste zerken komen bijzondere afbeeldingen voor. Engeltjes (putti) klauteren door het acanthusblad en fabelachtige wezens staan op verschillende plekken op de steen. De basisschoolleerlingen van Wommels waren ook afgelopen jaar weer stomverbaasd toen ze op de steen van Fokel van Jongema uit 1537 een eenhoorn en Harry-Potterachtige draken (griffioenen) ontdekten.

Benedictus leidde zijn oomzegger Vincent Lucas (ca. 1525 – ca. 1567) op in zijn atelier. Onder andere portretzerken waren diens specialiteit. Een mooi voorbeeld ligt in de Koepelkerk van Witmarsum. Het echtpaar Epo van Aylva en Bauck van Sickema is er levensgroot op afgebeeld. Ook in Burgwerd, Bolsward en Nijland zijn stenen van Vincent Lucas te zien.

Aan veranderingen in decoratie kun je zien dat stijl zich ontwikkelt. Eind jaren vijftig van de 16e eeuw ontdekken de kunstenaars het lijnperspectief, waardoor de op de stenen afgebeelde architectuur veel meer diepte krijgt. Een spectaculair voorbeeld van de Harlinger steenhouwer Jacob Lous († 1616) bevindt zich in het middenpad van de kerk van Kimswerd.

In de zeventiende eeuw maakt de renaissance plaats voor de barok. De decoratie van de zerken wordt iets minder fijn en tegelijk worden de stenen dieper uitgehakt, waardoor versieringen meer boven het basisvlak uitsteken. In de decoratie gaat doodssymboliek een grotere rol spelen: er verschijnen schedels, beenderen, zandlopers (vaak met een vleermuis- en een duivenvleugel: de tijd vliegt), twee vazen (met respectievelijk een bos bloemen en een rookwolk) en twee olielampen (met een vlam op de ene en een rookwolk op de andere tuit). De schoonzoon van Jacob Lous, de Leeuwarder steenhouwer Jacob Dionysius († ca. 1646) is een vertegenwoordiger van deze stijl. Hij werkte in de eerste helft van de zeventiende eeuw en leverde onder andere zerken in Hichtum (toegeschreven), Schettens en Witmarsum (toegeschreven).

detail grafzerk
Wommels, detail renaissancezerk door Benedictus Gerbrandts, 1537
grafzerk
Witmarsum, portretzerk door Vincent Lucas, circa 1560.
detail grafzerk
Kimswerd, detail renaissancezerk door Jacob Lous, 1614.
detail barokzerk
Hichtum, barokzerk door Jacob Dionysius (toegeschreven), circa 1635.

Verhalen

Wie nog meer wil weten over de zerken in zijn kerk, zou ook eens op zoek kunnen gaan naar verhalen over de personen die onder de stenen begraven liggen. Neem legerkapitein Schelte van Aysma in Schettens, waarover verderop in deze nieuwsbrief meer. De identificatie van diens helm heeft in 2018 geleid tot een herbegrafenis van zijn stoffelijke resten in de grafkelder in de kerk. Het leverde zelfs landelijke publiciteit op.

Informatie

Alle teksten van de Friese grafzerken van vóór 1811 zijn te vinden op de website van Hessel de Walle.

In het archief van Tresoar en het Historisch Centrum Leeuwarden is informatie over personen te vinden. Ook kerkelijke archieven – enkele zijn ondergebracht bij De Tiid in Bolsward – en de oudste Leeuwarder Couranten kunnen informatie leveren. En uiteraard zijn er in de loop der eeuwen heel wat boeken verschenen, waarin op zerken vermelde personen genoemd worden.

Bijdrage door Willem Hansma (willemjanhansma@gmail.com) bekend als auteur van De Johanneskerk van Weidum (2015) en De Jacobikerk van Wommels (2023).